Page images
PDF
EPUB

1

met de stoffe van de bergen daar omstreeks; 't welk het geval niet is; want, schoon men 'er eenige aantreft, die in de zyden der Spelonken uitsteeken, omkorst met cenc kalkagtige stoffe, dit schynt ontstaan te zyn uit derzelver stand in de Spelonke. Zulk eene opeenhooping zou die Beenderen gelyktydig doen worden met de Bergen zelve, waaraan ik ter oorzaake van het nieuwer vertoon , 't welk deeze Beenderen opleveren, zeer twyfel.

Het verschil in den itaat der Beenderen wyst uit, dat Per waarschynlyk eene opeenvolging van derzelver zamenbrenging, voor een lange reeks van jaaren, geweest hebbe; want, indien wy in aanmerking neemen het ver, schil van tyd, verloopen tusschen het daar komen van de volkomenste, die wy voor de laatste te houden heb. ben, en den tegenwoordigen tyd, moeten wy dit op eenige duizenden van jaaren stellen; en, indien wy berekenen hoe lang deeze nog daar zouden moeten blyven om zo verre vergaan te zyn als men 'er eenige aantreft, zal dit verscheide duizenden van jaaren vereischen; een genoegzaame tyd voor eene groote opeenhooping volgens deeze wyze van redekaveling, zou het, derhalven, blyken, dat zy te dier plaatze niet op éénmaal in een verschen staat gebragt waren.

De dierlyke aarde, gelyk men dezelve noemt, gevonden op den grond deezer Spelonken, wordt veronder. steld veroorzaakt te zyn door het verrotten van het vleesch; welke veronderstelling insluit, dat de Dieren hier gevleescht gekomen zyn; maar ik begryp niet, dat, indien deeze Spelonken opgevuld geweest waren met geheele Dieren, het vleesch een tiende gedeelte van de aar, de zou hebben kunnen opleveren , en reden geeven van zulk eene hoeveelheid als blykt door de Dieren daar gebragt te zyn. Ik zou veeleer veronderstellen, dat dit de overblyfzels waren van de drek der Dieren, die ten eenigen tyde deeze Spelonken bewoonden, en gestort uit de ingewanden der Beesten door hun verslonden. Dit laat zich zeer wel begrypen , als wy bedenken dat 'er iets soortgelyks plaats heeft, schoon in eene mindere maate, in veele Spelonken in Engeland, die de wykplaat. zen zyn der Vledermuizen, in den winter, als mede in den zomer, wanneer zy alleen des avonds uitvliegen. In deeze holen is de grond bedekt met dierlyke aarde, eenige voeten diep ; deeze aarde vindt men in allerlei staaten van ontbinding; de benedenste is de zuiverfte, de bovenste slegts weinig veranderd, met alle bedenklyke tusschenftanden. In deeze holen is een groot getal van Druip. steenen, die de Beenderen der daar stervende Dieren kun. nen omkorften.

De Beenderen uit de Spelonken in Duitschland zyn zo zeer het voorwerp geworden van het beschouwen en on. derzoek der Natuurkundigen, dat de stukken daar van door geheel Europa verspreid zyn; 't welk belet, dat 'er een genoegzaam getal kome in handen van een eenig Man, om hem kennis te doen krygen aan de Dieren, waar toe zy in vroegeren tyde behoorden.

Uit de Historie en de Afbeeldingen, die de Heer ESPER van deeze Beenderen gegeeven heeft, blykt, dat het Been. deren zyn van verscheidenerlei Dieren, maar zeldzaam is het, dat zy alle blyken van vleescheetende Beesten te zyn ; 't geen men niet zou verwagt hebben. 'Er zyn tanden, in aantal , foort en tand, volmaakt gelyk aan die van den witten Beer ; : andere hebben meer gelykheids op die van den Leeuw; maar in de Afbeeldingen der deelen, hoe fraai ook uitgevoerd , kan men bezwaarlyk vertrouwen ten opzigte van de kleinste kenmerken, en nog te minder staat maaken, als die gedeelten in eene aanmerklyke maate geschonden zyn.

De Beenderen, der Societeit toegezonden door den Mark. graaf van ANSIACH', komen overeen met die de Heer ESPER beschreeven en afgebeeld heeft, als behoorende tot den witten Beer ; hoe verre zy onderling van dezelfde soort zyn, kan ik niet zeggen; de Koppen verschillen in gedaante van elkander; zy zyn, over 't geheel genomen, veel langer, naar evenredigheid der breedte, dan in eenig vleeschyreetend Dier , my bekend; zy verschillen ook van den tegenwoordigen Witte Beer, die , voor zo verre ik ze gezien heb, eene algemeene evenredige breedte hebben; men veronderstelt, 't is waar, dat de Koppen van den tegenwoordigen Witte Beer van elkander verschillen; maar om dit te verzekeren heb ik geen Koppen genoeg van dat Dier gezien.

Niet alleen verschillen de Koppen, daar gevonden, in gedaante, maar ook in grootte: eenige deezer, vergelees" ken met die van den tegenwoordigen Witte Beer, schynen behoord te hebben tot een Dier, tweemaalen zo groot; terwyl eenige Beenderen in grootte met die van den wit

ten

tên Beer overeenkomen, en andere zelfs kleinder vallen (*).

'Er zyn twee Schouderbeenen, eer kleinder dan grooter dan die van den hedendaagschen Witte Beer; 'er is een Ruggewervelbeen, dat eer kleinder mag heeten ; de Tanden verschillen ook zeer in grootte, nogthans zyn ze alle van hetzelfde geslacht ; zo dat de verscheidenheid deezer Beenderen onderling niet minder is dan tusschen die en den tegenwoordigen Witte Beer. In de votming van den Kop brengt de ouderdom der Dieren eene groote verscheidenheid te wege. Het bekkeneel van een jongen Hond is veel ronder dan dat van een ouden; de ítreep, rugwaards loopende tot het achterhoofd, in twee ter zyde gaande eindigende ; bestaat naauwlyks by den jongen Hond; en onder de Beenderen, thans voorhanden, is het achterste gedeelte van zulk een Kop, nogthans, veel grooter dan de Kop van den kloeksten Bulhond. In hoe verre de jonge Witte Beer van den ouden verschille, en gelykheid hebbe met den jongen Hond , weet ik niet doch het is vry waarschynlyk. :.'

Beenderen van Dieren in zo gelyke omstandigheden, schoon in verschillende deelen des Aardkloots gevonden, zouden iemand zeer ligt tot de veronderstelling brengen, dat zy voornaamlyk bestonden uit Beenderen van ééne foort op alle plaatzen, een beginzel op alle werkende. In Gi. braltar bestaan zy meest uit herkaauwende Dieren van de Haazenfoort, en de Beenderen van Vogelen; nogthans zyn 'er eenige van kleine Honden, of Vossen, en desgelyks Schulpen. - Die in Dalmatie zyn desgelyks meest van de herkaauwende soort ; egter vond ik 'er een Paardenbeen onder; maar die uit Duitschland zyn meest van de vleeschvreetende soort. Hierom zouden wy overhellen om te veronderstellen, dat derzelver opeenhooping niet ont stondt uit eenige volgens Instinct gevolgde leevenswyze; dewyl dezelfde leevenswyze niet geschikt kan wee

zen

(*) Men neeme hier in opmerking, dat de Beenderen van den witten Beer, die ik' bezit, behoord hebben tot een Beer, dien men liet kyken, en niet volkomen volgroeid was; dit neem ik in aanmerking, als ik verzeker, dat de Koppen van deeze omkorste Dieren schynen beboord te hebben tot een Dier, twee. maalen zo groot als ouze Witte Beer.

zen voor van vleesch en voor van kruiden leevende Dieren.

De Dieren in overweeging neemende ten aanziene van derzelver stand op den Aardkloot, zyn 'er veele byzonder eigen aan bepaalde lugtstreeken ; andere zyn min beperkt, als de Haringen, Makreelen, Salmen ; andere we. derom, die naar allen schyn zich beweegen in de geheele uitgestrektheid der Zee, als de Haay, en veele van de Walvischaartige foort ; terwyl veele Schulpvisschen aan ééne piaats gehegt blyven. Indien de Zee niet meermaalen dan ééns haaren stand veranderd hadt, en het land in een zeer korten tyd droog'liet, dan zouden wy kunnen bepaalen hoedanig het Climaat voortyds geweest was, door het opdelven der begraavene Beenderen van de daar gevestigde Dieren ; want deeze zouden wy alleen vermengd vin. den met die van heen en weder trekkenden; maar, indien de Zee van plaats langzaam verwisselt, dan kunnen de overblyfzels van Dieren, onder verschillende Climaaten behoo. rende, ondereen gemengd zyn, en gevonden worden van het eene en andere Climaat dooreen gemengd gestorven en begraayen; maar dit stuk , vrees ik , kan niet worden uitgemaakt. Uit de opgedolven Beenderen, nogthans, hebben wy eenig denkbeeld, hoe de Beenderen der Landdieren, onder den grond bedolven, geschikt zyn ten opzigte van de Zeedieren.

Indien de Zee eenige plek beslaagen hadt, welke nooit droog land geweest ware, vóór dat de Zee daar kwam, kunnen de vreemde Fossilia alleen die van Zeedieren weezen ; maar ieder gedeelte zal zyne byzondere soort hebben van die 'er plaatslyk eigen zyn, gemengd met weinige Amphibia, en van Zeevogelen, in die gedeelten, welke zee-inhammen zyn, Ik zal veronderstellen, dat, wanneer de Zee die plaats verliet, dezelve liep over land, waar beide Planten en Landdieren bestaan hadden, de Beenderen van dezelve zullen 'er begraaven zyn, als mede die der Zeedieren; en, indien de Zee 'er langen tyd geItaan hebbe, gelyk 'er reden is om te gelooven, dan zullen deeze gemengde vreemde Fosfilia overdekt zyn' met die van Zeedieren. Indien nu de Zee weder verplaatze en deeze plek verlaat, dan zullen wy de Land- en Zee-fosfilia, bovengemeld, in decze orde vinden ; en wanneer wy vreemde Fossilia beginnen te ontdekken in eene tegenovergestelde rigting van derzelver vorning, zullen wy cerst eene bedding aantreffen van die Dieren, eigen aan de

Zee,

[ocr errors]

Zee, welke het laatst gevormd waren, en onder deeze eene van het Groeiend Ryk, en Dieren, welke aldaar gevonden werden vóór dat ze door de Zee bedekt waren, en by dezelve die van de Zee, en onder deeze de gemeene aarde. Die aan de Zee eigen zyn, zullen zich in de diepte bevinden, naar evenredigheid van het verblyf des Zeewaters, en andere omstandigheden, als stroomen, getyen, enz.

Uit eene opeenvolging van zodanige wisselingen der plaatzing van de Zee, zullen wy eene bedding hebben van vreemde Zee.fossilia ; eene van aarde, waarschynlyk gemengd met overblyfzelen van het Groeiend Ryk en Beenderen van Landdieren ; eene bedding van vreemde Land- fossilia, en eene van Zeevoortbrengzelen; maar dewyl de Zee haare bewoonders met zich voert, zullen , waar men de overblyfzels van Landdieren vindt, ook die der Zeedieren daar mede vermengd zyn; en, daar de Zee doorgaans duizenden van jaaren bykans in denzelfden staat verblyft , vinden wy Zee - fossilia, onyermengd met eenige andere.

Alle werkingen van den groei of ontbinding van dierlyke en groeiende zelfstandigheden gaan veel schielyker toe op de oppervlakte der aarde dan daar beneden de lugt is waarschynlyk de groote bewerkster in het ontbinden en zamenvoegen, als mede zekere maate van hette, Hoe dieper wy, derhalven, in den grond komen, hoe minder wy de veranderingen voortgang zien neemen; en ’er is mogelyk zekere diepte , op welke geene verandering van eenigen aart voorvalt. De werking van den groei zal op zekere diepte niet voortgaan; doch op die eigenste diepte kan eene ontbinding itand grypen ; want het zaad Iterft, en vergaat met den tyd ; maar, op eene veel grooter diepte, behoudt het zaad de kragt des groeis, eeuwen lang; en naby genoeg aan de oppervlakte gebragt om uit te spruiten, betoont het de groeikragt behouden te hebben. Iets, hier aan gelykvormig, grypt plaats ten opzigte van Fossilia; want, fchoon een stuk Houts of Beens dood is, wanneer het in den staat van begraaving komt, treft men deeze in de diepte aan, vry van ontbinding, zamengevoegd met de stoffe, in welke men dezelve aantreft, als steen, klei, enz.; deeze bewaart dezelve voor ontbinding, en duizenden van jaaren worden 'er vereischt om dezelve te voltooijen. Misschien bevinden die Lichaamen zich in eene foort van lugtledig, of vacuum. De Hette,

« EelmineJätka »