Page images
PDF
EPUB

van myn Character, verzoek ik, ten deezen opzigte , myne meening wat nader open te leggen, en verstaan te worden met de volgende Bepaalingen.

Ik wil dan in geenen deele aangemerkt worden als een Voorspraak van veel zich aanmaatigende Domkoppen, die geheel ongeschikt zyn om anderen te onderwyzen; noch ook van de luien en ondeugenden, die schandvlekken zyn van het Leeraarampt; noch van die stoute bedriegers, die 'er op uit zyn om de Geweetens der menschen te verNaaven ; maar alleen van Persoonen van weezenlyke verdiensten, van bekwaamheid, yver en getrouwheid in het werk hunner bedieninge, en die, in stede van Heerfchappye te voeren over het erfdeel des Heeren , yoorbeelden der Kudde zyn (*). Ook is de eerbied, voor welken ik pleit, geenzins eene volstrekte onderwerping aan de ge. voelens van eenige Leeraaren hoe zeer ook met reden geagt van wegen hunne Kunde of Godsvrugt.

Want , indien de Christenen hunne geestlyke Leidslieden blindlyk volgen, en alle hunne Leerstellingen met een ingewik keld geloove aanneemen, dan liggen zy bloot voor ontelbaare bedriegeryen, en hebben geen behoed. of schutsmiddel tegen de domste Geestdryvery, noch tegen Ongodsdienstigheid zelve. In tegendeel, hoe vryer hunne gevoelens getoetst worden aan den algemeenen regel des Gezonden Versi ands en de maatstok der Geopenbaarde Godsdienstleere, zullen de zodanigen, die onder hun onderwys staan, meer vorderen in Godsdienstige en Christlyke kundigheden, meer zich aangezet en bevestigd vinden in de betragting van alle Deugd.

Ik wil, overzulks, in stede van dit te ontzeggen, elk Christen wel ernstig aanmaanen tot eene onpartydige beoefening der Heilige Bladeren, als een allereigenaartigst middel voor elk, om een met zichzelven bestaanbaar, en rede. lyk, Stelzel te vormen van Geloof en Leeven, van rechtmaatige begrippen wegens de GODHEID, van de uitgestrekte heid der Godsdienstige en Zedelyke verpligtingen. Door dit middel zullen de Christgeloovigen een strikten en gemaklyken Regel hebben om volgens te handelen, en de hoope der Gelukzaligheid op eenen yasten grondslag te doen rusten; terwyl het verwaarloozen van deezen regel zo veele onbegryplyke Geloofsartykelen heeft ingevoerd;

leer (*) 1 PETR. V: 3.

leerstellingen, der waare Godsvrugt vyandig; donkere, wanhoop inboezemende, gevoelens wegens de GODHEID, en bygeloovige, yzing aanjaagende, verschrikkingen.

Daarenboven zal het leezen der Heilige Schriften, met onpartydigheid, opregte en eerlyke Zielen vervullen met nederigheid en goedwilligheid, met gemaatigdheid, verdraag. zaamheid en onderlinge opregtheid; terwyl het tegenovergestelde dier handelwyze, of het verzuim van dit voor: schrift, duistere en geweldige Geschillen vermenigvuldigt, en voortzet inet een dollen yver, zonder verstand of eeni. gen zweem van bescheidenheid.

En, om thans slegts nog één voordeel te vermelden van 't geen ik tegenwoordig aanprys, -door dit middel zal het gros des Christendoms de gronden zyns Geloofs beter verstaan, en gevolglyk 'er te vaster in gevesa tigd weezen. De Christgeloovigen zullen volltomener onderrigt weezen van de innerlyke voortreflykheid der Gods. dienstleere , welke zy belyden, van de sterkte en het gewigt der uitwendige blykbaarheden.

In deezer voege zullen zy Geloovigen weezen, niet op

den voet van enkel Overlevering en Gezag, ('t welk alle Godsdienstbely. denissen even zeer schraagt); maar op gronden van redelyke Overtuiging en keuze. Uit al 't welk wy mogen afteiden, dat voor Leeraars en Onderwyzelingen het een algemeene pligt is , de Schriften te onderzoeken ): deeze vryheid ongemoeid, en door geen schrik vervaard gemaakt , of door Anti-christische verdrukking gedwarsboomd, uit te oefenen, denk ik in opregten gemoede , (en gave GOD dat de Christenen allen dit uit het zelfde oogpunt beschouwden!) is het hoogste en meest te schatten van alle uitwendige Christlyke voorregten.

En nu, is 'er in dit alles iets 't welk naar Heerschappy, iets 't welk naar Geestlyke dwinglandy, fmaakt? iets dan 't geen strekt om de ziel uit te breiden en op te klaaren ?

Het moet, volgens deeze beginzelen, geheel 's Volks eigen schuld weezen, indien het onkundig, verjaafd of in de strikken van bygeloof verward is. Men zal dan min klaagen over Priester bedrog, en veel meer, dan men gewoon is te doen, over zelfbedrog en zelfmisleiding. Want, wanneer de Christenen, ten eenigen tyde, aangemaand worden om hunno Vourgangeren te gedenken, hun

() JOAN. V: 39.

geloof naa te volgen; hunne Voorgangeren gehoorzaam en onderdaanig te zyn (*), is dit eeniglyk in zo verre als zy, verpligt zyn zich te onderwerpen aan eenige andere wyze en redelyke instelling: het is niet aan zulke Voorgangers en Leidslieden, als Heerschappy voeren over hun Geloove; maar aan de zodanigen, die enkel aange. Iteld zyn om hunne Onderwyzers te weezen in het waa. re Christendom, en Medehelpers tot hun heiligen wandel en geestlyke blydschap.

Eindelyk, de Eerbied, den Leeraaren verschuldigd, wordt niet gevorderd uit hoofde van eenige zonderlinge yerdienste, die by hun huisvest, en nog minder uit hoofde van enkele Tytels of uitwendige onderscheidingen, of eenig aan hun Ampt verknogt gezag, of in hun woonende Heiligheid; maar ter oorzaake van de nuttigheid des Characters, 't welk zy bekleeden, als het naar eisch en eerlyk door hun wordt opgehouden. Overeenkomstig hier mede vinden wy, dat PAULUS de Geloovigen te Thessalonica aanmaapt, om de zodanigen, die onder hun arbeiden, en hunne Voorstanders waren in den Heere , zeer veel in liefde te agten, om huns werks wille (t). Een voorschrift 3 zeker , 't geen zo verre is van eenen buitenspoorigen en op eerbetoon vlammenden eisch, dat heç veeleer aangedrongen wordt door alle beginzelen van rede en edelmoedigheid.

Daarenboven, dewyl het onmogelyk is, dat het gewigt en aanbelang van eenig opmerking verdienend Character kan opgehouden worden, indien de zodanigen, die 'er mede bekleed zyn, versmaad en veragt worden volgt hier uit noodwendig, dat de minagting , betoond aan getrouwe Dienaaren van CHRISTUS, waarschynlyk zich niet zal bepaalen tot hunne Persoonen; maar ook strekken om huune Bediening zelve in veragting te brengen. En een veragt Leeraarschap is altoos geweest, en zal altoos zyn, een in diezelfde maate onbevorderlyk en geen dienst doend Leeraarschap.' Dat de Christenen, derhal. ven , zorge draagen , dat noch een blinde yver, noch trotschheid , noch een 'bedilziekheid van aart, immer de zaaken tot dit uiterste brenge, ter minagting van het Christendom en het' stremmen van deszelfs op- en voortgang.

Een

[ocr errors]

(*) HEBR. XIII: 7, 17.

(+) 1 THESSAL. V: 12, 13.

Een ander gedeelte van den Pligt der Christenen je. gens hunne Leeraaren bestaat in hun een voeglyken On. derstand te schenken. Hier op behoef ik niet lang Itaan te blyven ; dewyl 's Menschen eigen rede, indien hy immer op dit stuk eenigzins nadenkt, hem moet overtuigen , dat dit een tak is van natuurlyke Billykheid dat zy, die geheel en al hun arbeid te koste leggen om Godsdienstige kundigheden en deugdsbetrag. ting onder de Christenen te bevorderen, en gevolglyk medewerken tot de hoogste gelukzaligheid des Menschdoms, en menigmaalen zich zelven, uit dien hoofde groute tydlyke voordeelen , welke zy anderzins zouden kunnen behaalen, ontzeggen, het Leevensonderhoud ontvangen van de zodanigen, die zy ten dienste Itaan, en ik mag, 'er byvoegen een voeglyk en eerlyk onderhoud , naar gelange van het gewigt en het nut van den Dienst, tot welken zy zich hebben overgegeeven.

En deezen Eisch, zo zeer zamenstemmende met alle beginzelen van natuurlyke billykheid en reģt, heeft het Euangelie met zo sterke en uitdruklyke verklaaringen be. kragtigd, dat 'er geen ontwyken aan is. Zo beveelt Leeraar PAULUS , in zynen Brieve aan de Galaters: die onderweezen wordt in het Woord, deele mede van alle goederen den geenen die hem onderwyst. (*). In diens Apostels eersten Brieve aan de Corinthers is eene zeer byzondere en opmerkenswaardige plaats, dit onderwerp betreffende : Hebben wy niet magt. om te eeten en te drinken? Hebben wy niet magt om een Wif, eene Zuster zynde, met ons om te leiden, gelyk ook de andere Apose selen, en de Broeders des Heeren, en CEPHAS? Of hebben alleen ik en BARNABAS geen magt van niet te werken? Wie dient ooit in den kryg op eigen bezoldinge? Wie plant eenen wyngaard, en eet niet van zyne yrugt? Of wie weidt eene kudde, en cet niet van de melk der kud. de? Spreek ik dit naar den menfche, of zegt ook de Wet het zelve niet? Want in de Wet van Moses is gefchreeyen, gy zult eenen dorschenden Os niet muilbanden.' Zorgt GOD ook voor de Ossen? Of zegt hy dat ganschlyke om onzen wille? Want om onzen wille is dat gefchreeven; overe mits die ploegt op hoope moet ploegen, en die op hoope dorscht moet zyner hoope deelagtig worden.

Indien wy

ulie.

(*) GAL VI: 6.

[ocr errors][merged small]

ulieden het geestlyke gezaaid hebben, is het eene groote
zaake, dat wy het uwe, dat lichaamlyk is, maaijen?
Weet gy niet dat de gecnen, die de heilige dingen bedie-
nen, van het heilige eeten? en die den Altaar steeds by
zyn, deelen met den Altaar ? Alzo heeft ook de Heere ge-
ordineerd, dat zy, die het Euangelie verkondigen, van het
Euangelie zullen leeven (*); Ichoon de Apostel het on-
bepaald laat, op welk eene wyze dit Onderhoud den
Leeraaren moet bezorgd worden. Lieden, die het
Christendom verzaakt hebben, of geene belydenis van
eenigen Godsdienst in it geheel doen, mogen dit alles
voor ydel gesnap en beuzeltaal houden ; maar ik ben
verzekerd, dat geen Christen kan naalaaten overtuigd te
weezen, dat dit Onderhoud verschaffen aan de Leeraa.
ren een standhoudende en onvermydelyke tak van den
pligt' eens Christens is.

Wy mogen by dit alles. voegen, dat naauwlyks iets
zo veel medewerkt tot de eer en het nut des Leeraar-
schaps, als dat men den stand der geenen, die in deezen
arbeid bezig zyn, boven angstvallige zorg en bekom-
merdheid om brood verheffe, en boven den peil der ar-
moede. Voegłyk ruime leevensomstandigheden wekken
de leevenskragten op, schenken aan de zielsvermogens
vryer werking, boezemen een voeglyk vertrouwen en
moed in. Terwyl, wanneer een Mensch met schaars-
heid worstelt, zyne bekwaamheden, beëngd, zich niet ten
voordeeligste kunnen uitbreiden. Hy kwynt; zyne beste
lessen verliezen een groot gedeelte van haar gewigt; zy
worden, inzonderheid door lieden van een trotschen aart,
met onbeschoftheid en versnaading behandeld. Iets
zodanigs moet een ieder, die der zaake van den Christe
lyken Godsdienst een goed hart toedraagt, en verlangt dat
de verpligtingen ter Deugd onderschraagd worden door
openlyk betoon van hoogagting, zorgvuldig tragten te
voorkomen, en daar aan het zyne toebrengen,
· Veroorlof my, hier nog by te voegen, dat het 'geen
ik thans aangedrongen heb, niettegenstaande het aan.
belang der zaake, een stuk schynt, waaromtrent veele
Christlyke Gemeenschappen zich zeer onverschillig gedraa-
gen. Die, in stede van hunnen Leeraaren een voeglyke;
Wedde te bezorgen, (schoon zy daar toe geregtigd zyn

door

1

(*) 1 Cor. IX: 4-14

« EelmineJätka »