Page images
PDF
EPUB

niet derwaards verzeld hebben, ontdekken zy het gebeurde van verre door den reuk, en komen 'er straks op af, zelfs van zeer groote afstanden,

Ondertusschen bestaan 'er ook talryke Geslachten van Visschen, in welke de Eijeren binnen in het lichaam der moeders tot volmaaktheid komen, of in een zak, die buiten aan het lichaam der Wyfjes vastgehegt is ; by welke voorwerpen ook eene voorafgaande liefdesomhel. zing der beide sexen plaats heeft. Zodanig wordt de Voortteeling volbragt by de Rochen en Haaijen, en on der de laatsten dus ook by den verschriklyken Jonas-Haay (Carcharias), welk ysselyk schepzel, na de met vergif tige werktuigen gewapende, wel het verschriklykste en gevaarlykste van allen is; want, met eene grootte , genoegzaam, om een mensch, ja zelfs een paard, geheel. enal in te zwelgen, en een gewigt van meer dan tienduizend ponden, heeft het cene groote snelheid in het zwemmen, en een vel 't geen beltand is tegen genoeg. zaam alle kwetzende werktuigen ; zo dat men dit schepzel bezwaarlyk kan vangen, dan door middel van yzeren ketenen. Daarenboven is hetzelve met een wydgaapenden bek voorzien, waar in zes ryen lange zeer scherpe tanden , steeds gereed, om alles, wat hun voorkomt, te verslinden, en de steeds hongerende maag te vullen : zynde de gulzigheid van dit wanschepzel zo groot, dat het noch fexe, noch gezin van Dieren, ja niet eens zyns gelyken, zo het die meester kan worden, ontziet. Ondertusschen is dit Dier, als men het gevangen heeft, nog van eenig nut ; dewyl 'er veel traan, vooral uit zyn Lever , kan getrokken worden : terwyl het vel alle de eigenschappen heeft van het gewoon Haaijevel.

Het zwemmen der Visschen gaat ook gepaard met by. zondere omstandigheden. Behalven de snelle voortstu. wende beweeging in eene horizontaale richting, veroorzaakt door hunne fpieren, en bestierd door hunnen staart en vinnen, hebben zy het vermogen om hunne uitgebreidheid merklyk te vergrooten, en dus met eene aarimerklyke snelheid naar boven te ryzen of naar beneden te daalen. Dit vermogen wordt voortgebragt door de werking hunner zogenoemde zwem- of luchtblaas , die eene luchtstoffe van een byzonderen aart ontvangt, door een kanaal, de Luchtbuis genoemd. Wanneer de spieren, die deeze buis drukken, ontspannen worden, zet zich dezelve danmerklyk uit , vergroot daar door de lichaamlyke uitgebreidheid van den Visch, en doet hem, nu zoortgelyk ligter geworden zynde dan water , in de hoogte ryzen, eveneens als een luchtbol in den dampkring naar boven ryst. Wanneer daarentegen de genoem. de spieren zich zamentrekken, wordt die lucht verdikt, de omtrek van den Visch kleiner, en hy zakt door de ver meerdering der eigenaartige zwaarte naar beneden. Wat de natuur dier luchtītoffe betreft, het is thans eene beweezene zaak, dat dezelve, ten minsten in verscheidene zoorten van Visschen, bestaat in Stiklucht, (Gas Azòte). Schoon de Visschen door de bestiering hunner Zwemblaas zich in het water, op verschillende diepten, in evenwigt kunnen houden, geraaken zy echter by dage zelden in slaap, of zy moeten op zeer diep water in stilte kunnen nederzinken, of ergens in eene onderaardsche holte kruipen, om dat hunne oogen door geenerlei zoort van oogleden gedekt zyn, en zy dus de duisternis tot hunnen slaap volstrekt noodig hebben.

Het Voedzel is by alle zoorten niet het zelfde. Zommige Geslachten vergenoegen zich met Zeeplanten en andere voortbrengzels van het Groeijend Ryk. Doch het grootst getal geneert zich met Wormen, Insecten, Eijeren door hunne eigene wyfjes gelegd, jonge Dieren van hun eigen geslacht; en in 't algemeen verslinden deeze alle Dieren, die zy kans zien te vermeesteren. Over het algemeen kunnen de Visschen in een korten tyd veel voedzel verzwelgen ; doch zy kunnen ook lang zonder spyzen, en zommigen hunner niet alleen weeken, maar zelfs een geheel jaar lang, in het leven gehouden worden, zonder dat zy ander voedzel behoeven dan schoon water. Men kan tegenwoordig ook nagaan, dat het water, door verschillende zoorten van ontbinding en zamenstelling, in eene voedende stoffer kan overgaan; doch over het algemeen is dit voedzel niet toereikende om den honger van deeze Dieren te stillen. De prikkel des hongers kwelt voornaamlyk de grootere zoorten, die een overvloediger en kragtiger voedzel behoeven, dan zy langs deezen weg kunnen bekomen. Deeze behoefte is de oorzaak van den Iteeds duurenden oorlog, die onder deeze Dieren plaats heeft; waardoor talryke Gedachten altoos in een geduurigen staat van aanval of verdediging zyn, waardoor zy op hunne beurt dwinglanden of nlagt offers worden, en het uitgestrekt gebied der wateren als tot een geduurig slagveld maaken. Hicrom vindt men Mm 2

ock

[ocr errors]

ook Visschen, die met zeer byzondere aanvallende wapenen voorzien zyn , gelyk de Zwaardyisschen , de Eenhoorns, enz. ja zelfs zommigen verdooven hunne vyanden, door middel van electrifche schokken. Zommige zoorten zyn wel niet eetbaar, wegens hun vergiftigen aart; doch geene worden 'er gevonden, die met in de daad vergiftige wapenen voorzien zyn,

De Visschen behooren niet tot de waarlyk gezellige Dieren. Alles, wat de Voortteeling aangaat, behoort by hun onder de behoeften ; zo ras aan dezelve voldaan is, kennen zy elkander niet meer... Zy betoonen geen de minIte liefde aan hun kroost, maar verslinden hetzelve meermaalen. Zelden gaan zy jaagen in gezelschap. Het geen -men verhaalt aangaande de groote verhuizingen en zee reizen der Haringen, inzonderheid dat zy zich ten dien einde Opperhoofden en Leidslieden zouden verkiezen, is geweldig vergroot. Daar hunne eenige bezigheid bestaat in aan te vallen of zich te verdedigen, en 'er geene redenen voor hun zyn, om hunnen prooi van hunne aannadering , of hunne vlucht, kennis te geeven, hadden zy die zoort van onvolkomene spraak niet noodig, waar mede de meeste overige Dieren elkander hunne behoeften te kennen geeven. Zy zyn dus volkomen stom, gelyk ook buitendien uit hun maakzel natuurlyk voortvloeit, de. wyl zy geen Longen bezitten, noch iets der overige dee. len die tot de spraak vereischt worden. Met dat alles zyn zy vatbaar voor eene zekere verbindtenis met de menschen; en zo zy, op zekere tyden, onder zekere ge. luiden, eenig voedzel ontvangen, komen zy voor den dag, zo ras zy dit geluid weder hooren. In veele plaatzen van Duitschland heeft men zelfs de gewoonte , om de Karpers en andere Visschen, die in de Vyvers bewaard worden, door middel van het luiden van een Klokje, tot het neemen van hun middagmaal by een te' roepen.

DE

DE HUISHOUDING VAN DEN BEVER; STREKKENDE
TOT WEDER LEGGING VAN VERSCHEIDE BYZON-
DERHEDEN, DIT DIER BETREFFENDE , VER-
KEERDLYK IN VROEGERE · BERIGTEN DAAR

AAN TOEGESCHREEVEN.

(Ontleend uit Mr. HeARNES Journey from Hudsons Bay to

the Northern Ocean.)

[ocr errors]

choon het geenzins aan Beschryvingen van den Be

yer, en van de zonderlinge Leevenswyze deezes opmerkenswaardigen Diers, ontbreeke , agren wy de vol. „ gende der Vertaalinge, en plaatzinge in ons Mengels

werk, dubbel waardig, als grootlyks strekkende om de Huishouding van dit zeldzaam Ďier van onwaarheden te zuiveren.”

99

9

[ocr errors]

De gelegenheid, waar in de Beyers hunne wooningen bouwen, verschilt. Ter plaatze op welke zy veelvuldig zyn, bewoonen zy Meiren; Poelen, Rivieren, zo wel als de naauwe Kreeken, welke de veelvuldige Meiren, waar yan dit Land eene groote menigte heeft, met elkander vereenigen, doch de twee laatstgemelde worden doorgaans van deeze Dieren gekoozen, als de diepte des waters en andere omstandigheden zich schikken : naardemaal zy als dan het voordeel hebben van een loopend water, om hout, en andere noodwendigheden, na hunne wooningen te voeren ; en zy over 't algemeen moeilyker vallen te vangen, dan die in stilstaande waters hunne wooningen vestigen.

Daar is geen byzonder gedeelte van een Meir, Poel, Rivier of Kreek, 't welk de Bevers boven andere verkiezen, om 'er te bouwen: want nu eens doen zy zulks op den uithoek, dan eens in het diepste, van een Baay, en dikwyls op kleine Eilanden. Altoos, nogthans, verkiezen zy zodanige gedeelten, welké zulk eene diepte van water hebben, als den wintervorst wederstaat, en niet tot den bodem toe bevriest.

De Bevers, die hunne wooningen in kleine Rivieren of Kreeken stichten, waar het water gevaar loopt om op te droogen, wanneer de toevloed van achteren door de vorst

ge

Mm 3

[ocr errors]

gestremd wordt, zyn door een Instinct, tot verwonderens, geleerd om tegen dien ramp te voorzien, door een Dyk of Dam dwars over de Rivier te leggen, op eenen gepasten afstand van hunne wooningen. Deeze Dyk of Dam zie ik aan als het keurigste van alle werkzaamheder door den Bever verrigt ; niet zo zeer ter oorzaake van de keurige netheid des werks , als wel om de sterkte en den weezenlyken dienst, welken zy daar van trekken: en dewyl het teffens zulk eene maate van schranderheid in dit Dier ontdekt, om naderende gevaaren te voorkomen, dat de zelve weinig voor die der Menschen behoeft te wyken, en zeker byzonder is in deeze Dieren.

In gedaante verschillen deeze Bever - Dyken of Dammen naar den' aart der plaatzen, waar zy dezelve aanleggen. Indien het water der Riviere of Kreek niet veel strooms heeft, is de Dyk bykans regt; maar, in gevalle van sterker troom, maaken zy den Dyk altoos met een zeer kromme lyn, met de ronde zyde na den stroom gekeerd. De stoffe, van welke zy zich in het vervaardigen bedienen, zyn dryvend hout, Willigen, Berken, of Populie. ren, als zy het kunnen bekomen; voorts van modder en steenen, in zulker voege gemengd als tot de meeste sterkte kan strekken: dan in den aanleg deezer Dyken volgen zy geene andere bouwwyze, dan dat het werk voortgaat in een geregelde rigting, en dat alle deelen eene gee lyke sterkte hebben.

Op plaatzen, waar zich de Bevers lang ongestoord onthouden hebben , worden hunne Dyken, door veelvul. dige berstellingen, een vaste bank, in staat om een groot geweld van Ys en Water té wederstaan ; en dewyl de Willig , de Berk en Populier veelal wortel schieten en opgroeijen, leveren zy allengskens eene foort van geregeld geplante hegge op, welke ik, op, zommige plaatzen, zo hoog gezien heb, dat de vogels in de takken nestelden.

Schoon de Beyers, die hunne wooningen in Meiren of andere stilstaande wateren bouwen, een genoegzaamen voorraad genieten van hun geliefde Element, zonder het behulp van een Dam, moet de moeite, welké zy hebben, om hout en de andere noodwendigheden tot hunne wooningen, zonder het behulp van itroomend water, te bekomen, eenigermaate de andere voordeelen, welke zy van zulk een stand trekken, opweegen: want men hebbe te bedenken , dat de Bevers, die in Rivieren en Kreeken

bou.

« EelmineJätka »