Page images
PDF
EPUB

my zult zamenstemmen in 't begrip , dar, indien een getrouwd Man slegts iéne week in een geheel jaar te lyden hebbe, hy geen groote reden heeft om over den Huwelyksband te klaagen.

OVER DE BELLLFI HĽID IN HET VOEREN VAN GESPREKKEN.

Eene Indiaansche Anecdote.

digheden der verkeering, dan een goed en belangryk gesprek eenen tydlang voortgeześ. Zo veele bykomende omstan. digheden zyn 'er noodig, om die soort van uitmuntenheid te yormen , die een Man in staat stelt om in de verkeering te schitteren, dat iemand, met hoe veele gayen ook beschonken, zich vimmer verbeelden kan ze alle te bezitten. Maar 't geen nog meer ítrekt om de aangenaamheden des onderhouds te verminderen, is die voortdringende en elkander in den weg komende drift, om elkander in de reden te vallen, welk onderwerp ook de stoffe des onderhouds uitmaake.

't Volgend voorval zal myne meening breeder ontvouwen, en eené voorbeeldige lesse verschaffen. Omtrent eene Eeuw geleden, was een aantal Zendelingen tot eene Indiaansche Natie afgevaardigd, met last om onder dezelve het Euangelie te verkondigen. Met alle tekens van hoogagting werden zy ontvangen: de Hoofden van den Stam zaten onder de schaduw van een ouden, grooten en eerwaardigen boom, om gehoor te geeven aan deeze nieuwe Onderwyzers. Niets kan men zich ernstiger en deftiger voorstellen, dan de welvoeglykheid, met welke dit alles aan de zyde der Indiaanen behandeld werd.

De Zendelingen en de Volkshoofden gezeten zynde , ftondt een der laatstgemelden overeinde , en gaf den Zevdelingen te verstaan, dat zy vryheid hadden, om de Leer, welke zy wenschten te prediken, voor te draagen. De Zendelingen deeden, elk op hunne beurt, des eene voordragt. Naardemaal ieder veel meende te zeggen te hebben, duurde het zeer lang eer zy allen uitgesprooken hadden, en van de Indiaanen eenig antwoord konden bekomen. Deezen, egter, bewaarden al dien tyd een diep stilzwygen, onchielden zich van het betoon eeniger tekenen van onverduldigheid, schoon, ten aanziene van zulk een belangryk onderwerp, antwoorden, vraagen , en tegenwerpingen, in den geest opkwamen , en op de lippen zweefden.

Toen alle de Zendelingen, de een naa den anderen, huone gevoelens dus in 't breede hadden voorgesteld, bewaarden de Indiaanen nog voor eenigen tyd het zwygen , om elk gelegenheid te verschaffen tot het aanvullen van het overgeslaagene, of het aandriugen van deeze of geene byzonderheid.

Wan

Wanneer zy daglen hier toe een genoegzaamen tyd verleend te hebben, rees de oudite der Indiaanen, met veel deftigheids, op, en begon met den voordragt hunner eigene gevoelens op het stuk van den Godsdienst. Nauwlyks hadt hy drie volzin. nen uitgesprooken , of hy werd in het voortspreeken gestuit door twee of drie der Zendelingen te gelyk, met veel geschreeuws het bygebragte in den aanvang des voorstels onto kengende.

Een gloed van verontwaardiging verspreidde zich op de kaa. ken des Indiaans; naa eenige oogenblikken zwygens, sprak hy, met een gelaad, 't welk getuigenis van zelfbewuste meerder. beid droeg , de Europeaanen in deezer voege aan.

Met onzen Godsdienst, hoedanig dezelve dan ook moge weezen,

tragten wy ons met geduld en bescheidenheid jegens elkande. „ ren te gedraagen , en aan onze Leeraaren zelve een leerzaam

voorbeeld te geeven van geduld en reg vaardigheid. Wy luisterden na u met die aandagt en bedaardheid, welke

voegt aan lieden die veel te leeren hebben; maar in uwe onbe schofte haastigheid, om ons by ons antwoord in de reden te

vallen, hebt gy ons overtuigd , dar gy, met zulk eene „ maate van onkunde in de gewoone beleefdheden des leevens, , zeer llegt geschikt moet weezen om ons met heilzaamen

raad te dienen in de gewigtiger belangen den Godsdienst be treffende.”

Naa dit zeggen rees de Vergadering op, en, in spyt van alle tegenbetuigingen, verzoeken en vertoogen, trok elk der Indiaanen na huis.

[ocr errors]

EENE ENGELSCHE ANECDOTE.

dat

ene Engelsche Vrouw , op haar doodbed zynde, liet haren E ; heid te coeren door het verhaalen van alles, het geen zy ly. den moest, zoo, bezwoer zy hem haar eene misslag te vergeee ven, welke zy jegens hem bedreeven had. De Man haar beloofd hebbende , 't geen zy begeerde, bekende zy hem, zy onirouw jegens hem geweest was. „ Ik verwacht van u ins. gelyks, zeide de Man, de vergeeving van het kwaad, 't welk ik u gedaan heb." De Vrouw hem dit met al haar hart be loofd hebbende ; Heb ik dan nu, hernam hy, vernomen hebbende , 't geen gy my nu belydt , u dit vergoeven, zoo is bet dan uw dood welken gy my vergeeft."

TOT FRAAYE LETTEREN, KONSTEN EN WELTEN

SCHAPPEN, BETREKKELYK.

[ocr errors]

BETOOG OVER HET ONAFSCHEIDELYK VERBAND DAT
'ER IS TUSSCHEN DE GESCHIEDENIS, DEN GODS-
DIENST EN DE ZEDELEER, VERVAT IN DE SCHRIF.
TEN DES OUDEN EN, VOORAL, DES NIEUWEN-
VERBONDS, TOT STAA VING DER WAARHEID EN
GELOOFBAARHEID VAN IEDER DERZELVE

IN HET BYZONDER.

[ocr errors]

Niet
iet te kunnen gelooven aan het Historische van den

Bybel, en nogthans de daarin vervatte Zedelessen voor waarheden te erkennen, en aan te neemen tot een rigtsnoer van zyn gedrag, is, waar myn gedagten, even zo veel, als dezelve aan te neemen buiten het waare zedelyk verband, met opzigt tot de eigenlyke betrekking tusschen God en den Mensch, en tot de Eeuwigheid, of zonder te overweegen, hoe God, eertyds , zich aan de menschen heeft geopenbaard, hoe hy met hun gehandeld heeft, wat hy van hun heeft afgeëischt, en hoe hy zich verklaard heeft verder met bun te zullen handelen, zo in deeze als in de toekomende waereld; en is, ten apderen , even zo veel, als die Zedelessen aan te necmen uit handen van bedrogenen of bedriegers.

Niet te kunnen gelooven, noch aan de oude Gods- regeering omtrent vroegere Volkeren , noch aan Bybelsche Voorzeggingen en derzelver Vervullingen, noch aan Wonderwerken, hoedanigen in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vermeld worden, noch aan de Godde. lyke Zending, het wonderdaadig Leven, Lyden en Sterven, de Opstanding en de Hemelvaart, van Christus; dit alles moest, myns inziens , dan veelëer ten gevolge heb. ben, dat men ook geen geloof konde flaan aan de uitmun. tende Voorbeelden van eenen Abraham, Jozef, Mozes en David, noch aan Jezus, als een allergodsdienstigst en deugd. zaamst Mensch , noch aan deszelfs braave Apostelen zo min als aan derzelver Godsdienst- en Zedeleer; en men MENG. 1798. No. 6.

Q

zou

[ocr errors][ocr errors]

zou dan, oordeelkundiglyk, zo veel meer reden hebben om de waarheid van Jezus Leyen en Leer (hier voor naamlyk ter zaake dienende) in twyfel te trekken, als de Beschryvers daarvan meer misleid zouden geweest zyn, of als zy zelven meer bedriegeryen zouden hebben in het werk gesteld, om hunne Beschryvingen geloofbaar te maaken. Want wie kan op dwaalgeesten of op leugenaars vertrouwen , fchoon die ook zomtyds de waarheid mogten spreeken? Wat geloof verdient een blinden, Ipreekende over het licht en de koleuren ? en wat ingang zal het vin. den, op het woord van eenen wreedäart , wanneer hy zegt, gy moet barmhartig zyn? hunne waarheden zelve moeten hierdoor een verdagt voorkomen aanneemen, daar de gezonde reden ons zegt , dat iemand , die de zuivere waarheid zal voortbrengen, geen bygeloovige of dweeper moet weezen ; en dat nog minder hy, die bereid is der waarheid hulde te doen, zich daarby van misleidingen of bedriegeryen behoeft te bedienen, noch ook kan bedienen, vermits 'er eene tegenstrydigheid is tusschen deeze twee zaaken, even ongerymd, als dat een moordenaar of dief tegen den doodslag of de dievery zouden prediken, ja zelfs hunne redenen kragt byzetten door daadelyk te moorden of te steelen ; en dus eene tegenstrydigheid 200 tastbaar , dat alle verstandigen gewoon zyn de dwaaling of het bedrog voor een voldoend bewys te houden van de ongegrondheid of valschheid van het geen iemand , als waarheid, wil opdisschen.

Mogelyk denkt men hier tegen te kunnen aanvoeren, dat een wys man alleen op de zaaken moet letten , en niet op de persoonen, die dezelve verhaalen of bedryver, noch op de werkwyze, waarvan de menschen zich daarby bedienen; dat alleen de inwendige kenmerken van de echtheid dier zaaken 'er den stempel der waarde op kun. nen en moeten drukken; en dat dus ook de Godsdiensten Zedeleer, in de Euangelische en Apostolische Schriften vervat, voor zo veel die met de reden overëenstemt, genoeg heeft aan haare eigene verhevenheid en 1choonheid, om geloofd en betragt te worden.

Doch dan vraag ik, wat verhevenheid en schoonheid kan 'er uitblinken in eene Leer, waarvan men de Goddelyke Openbaaringen, Gods Voorzienigheid, het werk der Verzoening en zyn liefderyk Verbond met de menschen, zich uitltrekkende tot in de eeuwigheid, voor

OD,

[ocr errors][merged small][merged small][ocr errors][ocr errors]

ongerymde byvoegselen houdt, en welke Leer men dus met eene reeks van dwaalingen of bedriegeryen verbonden acht, die niet anders zouden zyn, dan eene haatelyke speeling, in de ernstigste zaaken, met de zielen der menschen, en met de hoogstwaardige Godheid zelve ? Moesten nu deeze dezelve niet geheel ontluisteren en in ons oog doen daalen ? of moest daaruit zelfs niet het vermoeden in iemand ontstaan, dat hy die verhevenheid en schoonheid slegts in een valsch licht beschouwde ? Immers, men houdt de fraaiste kunstgreepen, de beval. ligste vertooningen, van gochelaars voor niets anders, dan gochelaaryen ! En, diensvolgens , zou ieder verstandig mensch, myns achtens, moeten overhellen, om meer geloof te flaan, en den voorrang te geeven, aan eene min. der verhevene Zedeleer, welke niet met zo veele dwaa. lingen, of met zo veel bedrog, was doormengd.

Veel wysgeeriger, derhalven, zou de handelwyze van zulk eenen my voorkomen, die, niet geloovende aan de Gefchiedverhaalen der Euangelisten en Apostelen, de Christelyke Leer, als een geheel verdagt stuk , verwierpe; dan van iemand anders, die dezelve aanname tot eene regelmaat van zyn geloof en leven, ondanks dit zyn gevoelen, dat derzelver eerste Verkondigers of bedrogenen, of bedriegers, waren geweest.

Doch wanneer wy zien op Mannen, die, ongeacht alle de gedrogtelyke Leerstelselen, welke, onder het verbas terd Christendom, elkanderen zyn opgevolgd , en dikwerf, beurteling, de overhand hebben verkregen, om de verstanden te verbysteren, reeds tot die hooge maate van verlichting en overtuiging zyn gekomen aangaande Jezus menschelyke Grootheid en diens verhevene Leer, dat zy geene twyfeling ontmoeten, zich daaromtrent met zekeren Deïstischen Schryver in deezer voege uit te drukken: , Zo de Insteller van den Godsdienst des Chris.

tendoms onze hulde niet waardig zy , als de Zoon van God, zou men, echter, hem nog altaaren behoo ren op te rigten, als aan den eenigen Wetgeever, die

eene volmaakt gezuiverde Zedeleer heeft gebragt op ,, aarde (*)." Wanneer wy, zeg ik, op Mannen zien, welke derwyze met hun harte kunnen spreeken, en, des niet te min , het historische der Schriften des

Nieu

*) Zie de la Philosophie de la Nature. Tom. I. pag. 47.

« EelmineJätka »