Page images
PDF
EPUB

9; ge God!

van myne Ziel! Dat de groote Allan u gezondheid en be.

daardheid van geest schenke !" Zy omhelsden elkander met eene onbeschryf baare tederheid, en ZiLiM ving zyne reis na het Oosten aan. SELENA, niet willende blyven op eene plaats waar elk voorwerp haar dagelyks ter vernieuwing van hartzeer zou strekken , verliet het aangenaam Landgoed, en toog westwaards na het Huis van haaren Vader.

MUSTAPHA', de groote Koning van het Oosten, hadt thans zyn ontzaglyke Krygsmagt zamengeschaard ; cene onmeetlyke vlakte glinsterde van het wapentuig. De talryke vyand drong nader en nader aan. Geheel de omtrek dreigde een tooneel te worden van slachting en verderf. De slag begon ; de overwinning hing in twyfel. Veele duizenden verlooren het leeven op het nagveld; groot was het getal der Gevangenen. In 't einde zegepraalden de wapenen van MUSTAPHA, en de ‘vyand nam , in groote verwarring, de vlugt.

De Faam verkondigde inet duizend monden het nieuws der Overwinninge door 't geheele land. Selena hoorde die juichItemme, en beefde.

0 ZILIM !” sprak zy, ,, Hoe! geen kunda schap van zilim? Geen tyding dat zilim leeft? Eeuwi.

Wees bedaard, myn kloppend hart!” Zy zweeg, en opende haare lippen niet tot zonncondergang. Haare oogen floeg zy vaak en vaak ten hemel met stille verzugtingen. Zy ging ter ruste. De Slaap, de eenige Vriend der Ongelukkigen, bragt eindelyk haare angst- en kommervolle ziel in eene aangenaame ongevoeligheid. Toen de morgenstond aanbrak, rees zy op, boog zich ter aarde, hief de handen ten hemel, en boe. zemde deeze Bede uit :

6, Groot en eeuwig Weezen ! Schepper en Onderhouder der geheele Wereld! Gy, magtige Vader, gaaft my hec leeven , en Gy, Gy alleen, kunt my

gelukkig maaken. Ontvang, ô God der waarheid ! myne ne», derige, myne onvolmaakte, dankerkentenisse, voor alle zege. ,, ningen over my uitgestort; en 0! beziel mynen geest met ,, gevoelens u hoogst welgevallig, en meest voegende aan een ,, schepzel, 't geen Gy allergunstrykst met rede begaafd hebt.

Ô Almagtige! Indien immer uwe geringe Dienaaresse genade „ gevonden heeft in uwe oogen, bewaar, bewaar myn ZILIM! , Geef hem aan my weder, en, ten tyde dat zulks met uw ,, welbehaagen overeenkomt, Vrede aan het Menschdom! Op deezen trant badt de engelagtige Schoone, en haare gebeden werden op de vleugelen van den Seraph na boven gevoerd.

Zy wandelde toen, met een vasten tred, voort; want een welovertuigd geloof op de Hemelsche Voorzienigheid deedt haare kaaken gloeijen ; Godsdienst verlichtte haare ziel , en alles was van binnen vrede. Zo wandelt de lieve Herderin door het veld, geheel bedaard, geen kwaads vreezende ; wanneer, op het onverwagtst, de lugt betrekt, en een onverwagte storm breekt met geweld over haar hoofd uit. SELENA zag den naderenden

BO.

[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]

Bode, en las, uit diens gelaad, het schriklyk nieuws. In de eene hand droeg hy den welbekenden Tulband, en in de andere her Zwaard van ZILIM. » Spreek!” riep zy, „ myn zilim is

piet meer. Ach! zeide ik, hy is niet meer? Regtvaardige

Hemel! By alle Hemelsche Magten, myn zilim leeft!" De Bode boog zich, en begon te spreeken: Heil! schoonste der

Sexe! Deeze Tulband, en dit Zwaard, vond ik verstrooid op het slagveld. Ik weet niets meer. Ik zag hem niet; maar ik

vrees dat uw ZILIM viel.” Zy riep: Myn zilim leeft! is by den Hemel! myn zilim leeft!”

Selena's Beschermengel hoorde haar wonder sterk geloof, en vloog vrolyk heen, om ziLIM te zoeken. Deeze vondt hem in de gevangenissé. In 't midden van den slag werd zyn Zwaard door een werpspiets, met eene ongelooflyke snelheid, uit zyne hand geworpen.

De Krygshelden, hun Aanvoerder ontwapend ziende, viooden; en zilim , slaaverny boven een schandlyke vlugt stellende, werd door den vyand gevangen genomen.

Thans daalde de onzigtbaare PAYLA in de tent van zilim neder, en zag hem peinzend alleen zitten. 't Was in het diepste van den nagt, wanneer de schoone SARCASTA , in een los en onopgebonden gewaad, zagrlyk het gordyn opligtte; zeggende: »; Met reden staat gy verbaasd , ò gevangen Vreemdeling! dat,

in dit fille nagtuur, eene Vrouw, gelyk gy ziet van geen , gemeenen rang, in deezer voege uwe rust komt stooren. Ik kom u uwe vryheid geeven.” Ach! vryheid!” riep 21

Ja, Vreemdeling, vryheid. Ik zag u, wanneer gy eerst gevangen gebragt werd in onze legerplaats. Ik zag u,

en wenschte u heil. Wanneer onlangs onze Koning, de groote » BAROSSA, u alleen verzogt te spreeken, zag ik u door het

voorhangzel, 't welk tusschen den Koning en my hangt. Ik „ zag u met eene aandoening sterker dan die des medelydens.

Ja, edele Vreemdeling, gy hebt een gevoel in my verwekt, ;; 't geen my doet wenschen u gelukkig te maaken. My dunkt ik

lees in uw gelaad een teder hart. Zeg, hebt gy ooit bemind?"

ZILIM, gelyk iemand die een Engel ziet, of droomt dien te zien (want SARCASTA was bovengemeen schoon) stondt eenigen tyd van verbaasdheid stom. Hy zag om, en twyfelde of hy zyne zinnen gelooven mogt. In 'c einde antwoorde hy: ,, Schoo

ne Sterveling! of schoone Geest! want dus eene agt ik u te » weezen, my dunkt gy spreekt van vryheid. Eene edele he

melsche magt heeft myne gebeden verhoord, en gelukkig u w gezonden om een Slaaf te verlossen.” Zy kwam toen nader by ZILIM , en greep zyn hand; vestte toen haar wellustig oog op hem , zette zich neder, en zeide: Ja, gy zult, binnen

kort, vry weezen!" Zy ligtte zyn hand op, en drukte die aan haare lippen. Zilim beefde, en was geheel verwondering. Zy stelde alle vrouwlyke kunstenaryen te werk om hem tot haaren wil te brengen.'

De

93

LIM.

[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]

وو

[ocr errors]

9

De Geest 'PHYLA zag, en schrikte voor de uitkomst. Helaas ! welke deugd was in staat zulk eene betoverende Schoonheid te wederstaan? Wat wonder, indien zilim, voor een oogenblik, zyne heilige geluften vergeeten hadt? Maar PHYLA schreef op den wand den naam Selena. Zilim hief zyne oogen op, en las de van goud blinkende letters. Hier op hieldt hy de oogen gevestigd ; rees overeinde, en zeide :

Gaa heen, „ gaa heeu, trouwlooze Schoonheid! Wie gy zyt weet ik niet.

Genoeg, ik weet dat gy de myne niet zyt.” Zy rees overeinde , metal de woede , die immer den boezem van eene te leur gestelde Vrouwe deedt zwellen. Laage Slaaf!" riep zy uit ; ,, dit uur zal uw laatste uur weezen!”

Zo als zy dit woord sprak , stoof de Koning BAROSSA de tenç in, vatte haar by de keel, en stootte den ponjaard in haar hart.

Sierf, snoode!" riep hy uit. „Ik heb uwe trouwloosheid .. gehoord, en ik ben nu gewrooken. Gy gevangene, hadt gy ge, hoor gegeeven aan haare aanzoeken, aan dit Staal zou uw

hart tot schede gelirekt hebben.”

Naauwlyks hadt hy de tent verlaaten, of 'er werd een krygsa geschrei door de geheele Legerplaats gehoord. MUSTAPHA hade iniddel gevonden, oin met tien duizend uitgeleezene Mannen het Leger des Vyands te overrompelen. Hy drong, zonder tegenstand, door tot de tent van Koning BAROSSA, die zich door den vyand niet omringd vondt, of hy viel in zyn eigen Zwaard , en zyn dood maakte een einde aan den Oorlog.

Nu klom PHYLA ten hemel, en riep den geest van suYMAL aan. Hy zegende den grooten God, dat zilim en selena zich zyner bescherming verdiend gemaakt hadden. „ Gy ziet,” sprak suyMAL, ,, dat de Voorzienigheid alioos den Menschen ge.

nadig is. De wooniug , waar het Paar, over 't welk gy waakt,

woonde, is, in dien tusschentyd, door eene aardbeeving inges ,, zwolgen. Hier uit ziet gy, dat hunne verplaatzing van daar , gerade was ; zy waren anderzins onder de puinhoopen be. 9, graaven geweest. Daarenboven was het bestemd, dat de

Oorlog door het Oosten zou woeden, tot straffe der over

treedingen, tot dat de geloovigste en deugdzaamste Persoon », op aarde om den Vrede zou bidden. Dat Gebed zondt se

LENA onlangs ten Hemel op, en de Oostersche Wereld is met

den Vrede gezegend. Indien ZiLim zyne Huwlykstrouw ver. „ geeten hadt, was hy zeker omgekomen; en, indien selena's

Geloof ware bezweeken , haar Gebed was nimmer verhoord » geworden.

Zy zullen nu elkander weder ontmoeten , hunne dagen zullen verlengd worden, en zy zullen zo veel Geluks finaaken als met het lot der Stervelingen bestaan. baar is."

NA B E R I G T. De pooging van H. J. N., om iets by te draagen ten nutte van het Menschdom, is loflyk; doch het opgegeeven Middel is te wél bekend, oin het nader gemeen te maaken,

[ocr errors]

TOT FRAAYE LETTEREN, KONSTEN EN WEETEN

SCHAPPEN, BETREKKEL.YK.

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN DE NATUURLY-
KE, ZEDELYK: EN EUANGELISCHE BLYKBAAR-
HEDEN VOOR EEN TOEKOMEND LEEVEN,
EN EEN STAAT VAN VERGELDING IN

'T ZELVE.

[ocr errors]

(Uit het Engelsch van den Eerw. BeILBY PORTEUS, DD.

en Bisschop van Londen.)

(Veryolg en Slot yan bl. 6.) Ty hebben getoond, dat, in alle Eeuwen en by alle

" ' ven sterk en algemeen ingedrukt geweest is in de gemoederen des gemeenen Volks. Wy hebben getoond, dat wy, behalven deeze natuurlyke indrukken, door het wel aanwenden van ons redelyk vermogen en het vraagstuk aandagtig uit onderscheide gezigtpunten te beschou. wen, een groot aantal vermoedelyke bewyzen ter staavinge van dezelfde waarheid konden bybrengen. Op deeze gronden zou iemand veelligt natuurlyk besluiten, dat alle de beroemde Wyzen der Oudheid, die verstandige, geleerde en agtenswaardige, Mannen, die de Fraaije Letteren en de Wysoegeerte beminden, met zo veel roems en geluks koesterden, die de Lichten en Voorgangers, de Leermeesters en Wetgeevers, der Heidonsche Wereld wa. ren, onder de Heidenen de eerste zouden geweest zyn om het denkbeeld eener Toekomstige Vergelding te omhelzen; dat zy klaarder zagen en nadruklyker gevoelden het vereenigd getuigenis van Natuur en Rede voor deeze waar. heid, dan anderen ; dat zy de groove denkbeelden der menigte, en de door dezelve gekoesterde dwaalingen, beschaafden en te regt bragten ; dat zy de verkeerd. en dwaasheden, waar mede de vercieringen der Dichteren en de bygeloovigheden des Volks de weezenlyke gevoelens der Natuur bedorven en overlaaden hadden, wegnamen; en dat zy, door, in hunne Schriften, een klaare, met MENG. 1798. NO. 200

D

zich

1

1

[merged small][ocr errors][ocr errors]

zichzelve bestaanbaare, redelyke en geregelde , ontvouwing van deeze groote waarheid over te leveren , die voor altoos bevestigden in de gemoederen der menschen, tot een Artykel van het Volksgeloof en een grondstelling van de heerschende Wysbegeerte maakten. Dit, zeg ik, was eigenaartig van hun te verwagten; en hadden zy dit gedaan, 'er zou zich eenige grond opdoen, om te beweeren, dat men geen verder licht, ten aanziene van dit onderwerp, noodig hadt.

Maar wat is, met de daad, het geval? Leest de Schrif. ten van deeze oude Wysgeeren, ten opzigte van eene Toekomende Vergelding, en (met zeer weinig uitzonderingen) ziet gy daarin niets dan verlegenheid, verwarring, onbestaanbaarheid en tegenspreeking. Op de eene bladzyde vindt gy, dat zy met eene schynbaare voldoening uitweiden over de bewysredenen, toen in 't algemeen bygebragt voor de Onfterflykheid der Ziele, en een Staat van Belooning, hier naamaals te wagten; dat zy de onderfcheide zwaarigheden , daar tegen ingebragt, met veel scherpzinnigheids oplosten, die waarheid met veel vernufts en kunsts omkleedden, met al de fraaiheden der welfpreekenheid voorstelden, hunne volkomene toestem. ming daar aan te verstaan gaven, en verklaarden , dat niets hun die genoeglyke overtuiging, zou ontrooven, of ontzetten van dit vermaak hunner ziele. Op eene andere bladzyde vinden wy het gelaad der dingen geheel veranderd. Zy wederspreeken meest alles wat zy voorgestaan hadden. Zy twyfelen, zy dobberen , zy wanhoo. pen, zy gelooven niet (*). Zy lachen en spotten met de Volksbegrippen van toekomstige Belooningen en Straffen; maar zy geeven niets redelykers en meer voldoende in plaats. Ja, 't geen nog zeldzaamer is, schoon zy allen erkenden, dat het geloof in eenen Toekomenden Staat, en eene Belooning in denzelven, een algemeen beginzel der

Na

[ocr errors][ocr errors][ocr errors]

(*) Nescio quo modo, dum lego, assentior; cum posui librum

mecum ipfe de immortalitate animi cæpi cogitare , assenfio omnis illa Jabitur. Tufc. Quest. Lib. I. c. 11. En wederom: Dubitans, circumspectans, hæfitans mulia adverfa revertens (*) tanquam ratio in mari immenfo nostra vehitur Oratio, cap. 30. Eeñe allerleevendigste schildery van de dobberende onzekerheid hunner zielen, ten aanziene van die voorwerp.

(*) Reyctens DAVIS.

« EelmineJätka »