Page images
PDF
EPUB

fieldheid der Hersfonen , welke' met Krankzinnigheid ge. paard gaat. Edoch weeten wy dienaangaande, tegen het einde deezer anderzints zo verlichte Eeuwe , wel meerder, zo ten opzichte van het geen het Hersfengestel in deeze omstandigheid moet lyden , als ten opzichte van 't geen 't zelve daar in medewerkt?' De Ontleedkunde schynt hier in reeds tot den grootstmogelyken graad van volkomenheid opgeklommen, en niet in staat te zyn om den hoogsten trap der lichaamlyke volmaaktheid onder onze zintuigen te brengen. Zo lange derhalven de nieuwe Scheidkunde niet in staat geraakt, om ons met de Denkingsstoffe bekend te maaken, moeten wy ons wel in deeze duisternissen en onverklaarbaare betrekkingen behelpen met het geen wy door ondervinding kunnen ontdekken,

Hoewel thans het gebruik des Nieswortels, tot het geneezen der Krankzinnigheid (ik weet niet met recht of ten onrechte), is afgeschaft, zo heeft men toch , in die meeste gevallen deezes hoogst treurigen toestands , gemeend te moeten blyven by de Geneeswyze der Ouden, in zo verre zy de herstelling door geweldige Braak- en Purgeermiddelen zochten. Men heeft alleen verschild in de keuze der daar toe dienstige middelen , zo dat zommi. gen dienaangaande te vreesachtig, anderen wederom'te Itout, zyn geweest. Wat myne bevinding aangaat, ik hebbe in drie op elkander volgende gevallen een voortreflyken dienst gehad van het poeder der Gratiola , ge. bruikt naar het voorschrift van den Heer KOSTRZE WS. KY, dcor denzelven medegedeeld in zyne Dissertatio de Gratiola.

Twee der door my geneezene lieden waren Broeders, wier Vader wel niet krankzinnig was; doch echter, in een zo grooten graad, met Eigenzinnigheid en Waanwysheid behebt, dat men doorgaans meende , dat hy het niet vast had. Daar en tegen was deszelfs Broeder volko. men krankzinnig, en stierf aldus in het 65 jaar zyns ou derdoms. De beide Broeders, over welke wy thans zullen handelen, wierden krankzinnig in den bloei hunner jon. gelingschap, doordien zy, om eenmaal aanzienelyke pos. ten te kunnen bekleedencen ongewoonen vlyt in hunne Audien hadden aangewend. De Lof en de Eerbewyžingen, welke hun wierden toegezwaaid , scherpten nog meerder hun dorst naar Roem, waardoor de vlye verdubbeld, en de slaap, zo wel als alle heilzaame uitspanning,

[ocr errors]

vermyd wierd, Ras trad hierdoor een bedorvene Verbeeldingskragt in de plaats van gezond Verstand, het welk men niet in staat was door eenigerleie Voorstelling te herroepen. In het begin was de afwyking van het pad der Rede ten naasten by gelyk aan den toestand, onder welken ADDISON in zyn Spectator den Droom voorstelt. „ In den Droom gaat de Zielom met ontelbaare 9, voortbrengzels van haar eigen maaksel, en wordt over» gebragt in duizenderlei Toneelen van haar eigen vin» ding. Zy is zelve Toneel, Acteur en Toehoorder."

De eerste deezer Krankzinnigen, wiens omstandigheden wy inzonderheid zullen beschouwen, om dat dezelve nagenoeg met den aart der Kwaale en der Geneezing van de beide overige overeenstemmen , holde dus een tydlang vreedzaam voort, en hield in zyne verbeelding steeds de glansrykste daarstellingen voor zichzelven. Deeze toestand had ten gevolge flaapelooze nachten , en een meer en meer toeneemende afwisseling der Voorstellingen, waardoor eindelyk de Ylhoofdigheid zodanig toenam, dat hy zich aan zyne Moeder en anderen, die hem bewaarden, vergreep , en voort daar op uit een venster der tweede verdieping sprong, zodat hy op een gevloerde plaats nederstorite, zonder zich echter van belang te kwetzen. Zelfs niet in de geweldigste aanvallen zyner kwaal bespeurde ik aan hem het optrekken van een of van beide ballen 't geen door AVENBRUGGER, als een onafscheidelyk toeval der Krankzinnigheid , was opgegeeven.

De Geneezing deezęs ongelukkigen Jongelings ondernam ik met sterke Aderlaatingen, en ging daarna over tot zodanige middelen , welke door een sterken prikkel in staat zyn, verstoppingen in den onderbuik weg te neemen. Dan dit verricht zynde, vond ik de gewoone braak- en purgeermiddelen in geenerleie wyze sterk ge. poeg, om de noodige ontlastingen te bewerken. Ondertusschen twyffelde ik niet, of de nog steeds toenee. mende hevigheid der Woede moest worden toegeschree. ven aan de menigte der losgemaakte Itoffe en derzelver opflorping. Dus vond ik my verplicht tot sterkere middelen myn toevlucht te neemen. Ten dien einde liet ik hem braaken, door middel van poeders uit witte Vitriool, nadat men hem, door dwang, een prikkelende Cly. .. steer had gezet. Vervolgens gaf ik 'hem het poeder der Gratiola, tweemaalen 's daags : 's morgens tot eene halve drachma en 's ayonds tot tien grein, in te neemen

met

met een Afkookzel van Graswortel, 't geen teffens tot dagelykschen Drank moest dienen. Dus gingen wy voort, tot dat ik eerlang de giften der Gratiolă van dag tot dag moest verminderen, dewyl de Prikkelbaarheid der ingewanden allengskens aandoenelyker wierd. Naarmaate dus de werkzaamheid des Darmkanaals en der nahuurige deelen herstelde, ontlastte hy eene ongelooflyke menigte verharde en gesmoltene zwartgallige stoffen, terwyl hy ook, naarmaate hy van alle deeze schadelyke onreinigheden verlost wierd , wederom het volle gebruik zyner Reden bekwam.

Zyn Broeder en nog een derde Krankzinnige wierden op dezelfde wyze behandeld en geneezen : intusschen waren deeze voorwerpen ook alle van zodanig cene lichaamsgesteldheid , dat 'er sterk prikkelende middelen wierden vereischt, en dus waren het de Gratiola , en dergelyke sterke middelen , van welke men iets goeds kon verwagten.

[ocr errors]

WAARNEEMINGEN OVER DE UITGEGRAAVENE LEEN.
DEREN IN DE ZEER OPMERKELYKE SPELONKEN IN
HET VOKSTENDOM BAYREUTH : aan de Koning-
lyke Societeit te Londen gezonden, door den
Markgraaf van ANSPACH. Door wylen JOHN

HUNTER, Esq. F. R. S.
(Ontleend uit The Philosophical Transaktions, for 1794.)
ie hier de Waarneemingen welke wy

beloofd hebben by de opgave des Verhaals der in het Opschrift vermelde Spelonken (*). Zy verdienden de

beschouwing des kundigen Wysgeers HUNTER; zy, gao ven hem gelegenheid tot het mededeelen van beschou. » wingen over dezelve, en teffens over andere soortgelyke % voorwerpen, die weetenswaardig en belangryk zyn voor

allen die eenigen smaak hebben in het naspeuren van dergelyke zeldzaamheden, in den schoot des aardbols bedolven, en van tyd tot tyd aan het naspeurend oog ontdekt. De Beenderen, die ten onderwerpe strekken van den

22

[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]

Brief,

(*) Zie ons Mengelwerk voor 1797, bl. 58@.

Brief, door den Markgraaf van ANSPACH gezonden, hebbe men meer aan te zien als Omkorstingen, dan opgegraave, ne Beenderen van eenen vreemden oorspronge; naardemaal derzelver oppervlakte alleen eene omkortting van gecrystalliseerde aarde heeft aangenomen, en 'er weinig of geene verandering plaats gegreepen heeft in derzelver inwendig maakzel.

De aarden, met welke de Beenderen meest alle zich doorgaans omkorst vinden, zyn van eene kalk- of leyag, tige foort; doch meest van de eerstgemelde. Dit ge. fchiedt op tweeërlei wyze de eene, wanneer de Beenderen gedompeld zyn in water, waarin deeze aard-' Itoffe zich bevindt de andere, wanneer water. door aardstoffe van die soort heenen gaat, welke het ontbindt, en naderhand laat bezinken op daar onder liggende Beenderen.

Beenderen, die omkorst zyn, fchynen nimmer deeze verandering te ondergaan in de aarde, of onder het war ter, waar de zagte deelen vergaan zyn ; terwyl de Beenderen, die men opgedoiven Beenderen noemt, zodanig geworden zyn in de middelstoffe waar ze nedergelegd waren by den dood des Diers (*). De omkorste Beenderen hebben vooraf aan de open lugt blootgesteld gelegen : dit is openbaar ten opzigte van de Beenderen , die thans het voorwerp onzer beschouwinge opleveren. De Been. deren van de Rots van Gibraltar, en die men in Dalmatie gevonden heeft, als mede die , volgens het verhaal van den Abbé SPALANZANI, op het Eiland Cerigo voorkomen, bevinden zich in dezelfde omstandigheden. Zy hebben de kenmerken van Beenderen , die aan de lugt blootgesteld geweest zyn; veele vindt men op verscheide plaatzen geborsten, inzonderheid de ronde Beenderen; en dus vertoonen zy zich als Beenderen, die langen tyd aan de zon bloot gelegen hebben. Deeze omstandigheid onderscheidt dezelve blykbaar van de Delf beenderen g en verleent ons eenig voetspoor om derzelver Historie na te gaan. Indien derzelver aantal eenigermaate hadt overeengekom

[ocr errors]

men

(*) Beenderen, die met het vleesch daaraan begraaven ge.. weest zyn , hebben een kleur, welke zy nooit verliezen; Been. deren, die langen tyd in het water gelegen hebben, krygen daar van desgelyks een zeer onderscheideu de kleur.

men met het geen wy wegens Beenderen van laateren ty. de vinden, zulks zou ons hebben kunnen opleiden om eenig denkbeeld te vormen van derzelver ophooping; maar derzelver hoeveelheid gaat alles, waaromtrent wy ons eenig begrip ten dien opzigte maaken, te boven. Drie Vraagen doen zich eigenaartig by den naspeurder op. Kwamen deeze Dieren daar ter plaatze , itierven zy 'er ?

of werden derzelver Beenderen daar gebragt, en aan de lugt blootgesteld ? - of heeft men Beenderen van verscheide plaatzen daar verzameld ?

- De eerstgemelde deezer gissingen dunkt my de natuurlykste; doch ik ben in geenen deele overtuigd dat het de eenige waare is.

Beenderen, als boven beschreeven, worden gevonden in zeer verschillende standen, 't welk derzelver tegenwoordige toestand te bezwaarlyker maakt om des oplossing te bekomen. Die in Duitschland worden in Spelonken gevonden. De Kust van Dalmatie, zegt men, bestaat 'er bykaus geheel en al uit ; en wy weeten dat dit het geval is van een groot gedeelte van de Rots van Gibraltar.

Byaldien men er geene in Spelonken als opgeslooten vondt, maar in groote klompen, overdekt met mergel, of kalksteen , zou zulks een denkbeeld aan de hand geeven, dat ze daar zamengebragt waren door eene vreemde oorzaak, als eene aardbeeving, die 'er deeze stoffe over heen geworpen hadt; doch hier van kunnen wy ons bezwaarlyk een denkbeeld vormen, of hadt men die soort van Beenderen alle aangetroffen in Spelonken, wy zou. den op het denkbeeld kunnen vallen, dat deeze Spelone ken de wykplaatzen geweest waren voor zulke Dieren en dit eenige duizenden jaaren geleden; waren de Beenderen die van vleesch en graseetende Dieren, wy zouden misschien tot de veronderstelling komen, dat de vleesch. vreetende Dieren 'er veele kleindere, tot hun voedzel ge. vangen, hadden zamengebragt; en dit schynt, in den eere? Iten opslag, het geval te weezen van de Beenderen uit het Bayreuthfche, die aanleiding geeven tot dit fchryven; nogthans, wanneer wy in aanmerking neemen, dat de Beenderen, voor verre het grootste gedeelte, van vleeschvreetende Dieren zyn, vinden wy ons bepaald tot de veronderstelling, dat deeze alleen wykplaatzen geweest zyn. Indien die Beenderen daar byeen gebragt waren door eenigen Aardschok , dan zou men ze vermengd vinden

met

« EelmineJätka »